(1940 128)
Deze woning staat op het perceel dat voor 1 januari 1942 werd aangeduid als Achterweg 1, kadastraal bekend nr. 113. Hierop stonden een woning, een schuur en verder was er een groot erf, dat liep tot aan de huidige Marinus Poststraat, achter de zgn. vijf armenhuisjes verderop in de toenmalige Achterweg, later gelegen aan het Marktveld.
Van 1920 tot 1932 was deze woning bekend met nr. 42 zonder straataanduiding.
De Achterweg begon in de jaren voor 1942 bij deze woning. Door de aanleg van de Marinus Poststraat is de loop van de Achterweg veranderd.
Toen was G. Slootweg eigenaar, incl de schuur op nr. 2.
Na 1941 is er op dit perceel een nieuwe woning gebouwd. Zie onderstaande foto, waarop we zien dat deze in aanbouw is. Op de foto rechts zien we de gehele woning naast het braakliggende terrein waarop de vijf armenhuisjes stonden.
De bewoner stond bekend met de bijnaam Zwarte Gerrit. Zie verder Fam. Slootweg-van Iperen.
Uit literatuur:
Herleefd Verleden, Strijd om Valkenburg ZH in mei 1940, van Jan Portengen, 1995:
4.19 De kelder van Gerrit Slootweg
Er moeten daar twee kelders dicht bij elkaar gelegen hebben. De ene lag onder het huis van Gerrit Slootweg, de andere kelder was van Klaas van Egmond. In de annalen van Valkenburg wordt slechts melding gemaakt van de kelder van Gerrit Slootweg. Diens boerderij stond op de plaats van het huis dat thans op de hoek van de Burgemeester Lotsystraat en Het Marktveld het huisnummer 33 draagt. Het wordt nog steeds door een Slootweg bewoond. De kelder, die destijds zoveel Valkenburgers onderdak bood, is echter gereduceerd tot een klein vertrekje van hooguit twee meter lang en waarin slechts moeizaam rechtop gegaan kan worden.
Nadat de granaat in café Ramp de verschrikte mannen de kelder deed kiezen, stak Jaap van der Zwart de Broekweg over, hij haalde de overzijde heelhuids. Daar bood het reeds beschadigde huis van de weduwe Van Duikeren hem in eerste instantie bescherming. De granaten om hem heen klonken als evenzoveel donderslagen. Langs de andere huizen voortgaande kwam hij bij de kerk. Brandslangen lagen uitgerold. Voor de kerk stond een standpijp, het water bleef maar stromen. Rook kringelde door het dak van de kerk omhoog. Er waren geen mensen, iedereen had een goed heenkomen gezocht. Hij stond op de hoek van de Lange Commandeursteeg bij het huis van A. de Vries. Hij keek om zich heen, van plan de Middenweg in te slaan. Een Duitser weerhield hem en wees hem de Kruisweg. Jaap dacht: dan neem ik het weggetje door het Marktveld zo kom ik ook thuis! Daartoe moest hij langs de boerderij van Gerrit Slootweg waar hij weer aangehouden werd. Kortaf werd hem bevolen de kelder onder het huis in te gaan. Einde reis.
Nog geen honderd meter van zijn eigen huis zat Jaap in een vreemde kelder. Vrijwel alleen. Het duurde niet lang. Van lieverlede stroomde de kelder vol. Op zeker moment was er buiten geschreeuw en gepraat. Hij spitste de oren. Was dat niet de stem van zijn vrouw, en die van zijn dochter? Vol blijde verwachting baande hij zich een weg naar buiten waar een grote groep mensen bijeen stond.

